Het dagboek van de stervende tulp…

Ze vinden me arrogant. Ik hoor de andere tulpen in het plantsoen telkens over me roddelen. Maar ja, ik ben ook mooier, groter, voller. Terwijl de rest vaalgeel is, ben ik stralend oranje. Net zo mooi als de Máxima tulp. zie ook hoe de wandelaars bewonderend naar mij wijzen.

Ah, daar komen de vader, moeder en het kind. Elke zondag wandelen zij voorbij. Ook vandaag priemt het kindervingertje in mijn richting. Maar daar blijft het niet bij. Ze buigt voorover en rukt mij los van mijn bol. Het kreng! Met mij in haar knuist huppelt ze vrolijk richting bejaardenhuis. Wat heb ik daar nou te zoeken?

het dagboek van de stervende tulp

Eenmaal daarbinnen overhandigt ze me aan de oude vrouw. “Oh, wat een mooie tulp!” Duh, dat weet ik ook wel. Ze vertelt het kind dat ze een speciale vaas voor een speciale bloem in de kast heeft. Ze zet mij in een fonkelend kristallen vaasje. Een antieke. Kijk, dat streelt mijn ego.

De daaropvolgende dagen schuifelt de oude vrouw door de kleine kamer.

Ze praat veel in zichzelf, maar ook tegen mij. Eens, in de bloei van haar leven, was ze net zo mooi en krachtig als ik. Prompt hef ik mijn kop nog meer op. Langzaamaan begin ik waardering voor de oude vrouw te krijgen. Eigenlijk wil ik het niet toegeven, maar ik begin me zelfs een beetje thuis te voelen in de vensterbank van de bedompte kamer.

Het baart me zorgen dat de oude vrouw af en toe warrig is. Niet alleen mij, ik hoorde de man en de vrouw er eerder bedrukt over fluisteren met de dokter. Ze stapte eens zomaar onder de douche met haar ochtendjas nog aan. Eigenlijk moet ik stiekem lachen dat ze elke ochtend begint met een glaasje advocaat. ’t Is toch zondag, zegt de oude vrouw dan.

Zo vergeet ze wel eens de gordijnen dicht te schuiven als de felle zon op mijn Máxima-oranje bol schroeit. Dat doet pijn, zeg.

Of, nog erger, om mijn water te verschonen. Het puntje van mijn steel raakt nog net het bodempje water in de inmiddels doffe vaas. Wat een dorst. Ik zie m’n prachtig groene bladeren geel kleuren. Oh God, dat komt nooit meer goed! Ik ben een stervende tulp…

Een voor een vallen mijn bloemblaadjes op de stoffige vensterbank.

Mijn bladeren hangen triest over de rand van het glas. De oude vrouw schommelt zachtjes heen en weer in haar versleten stoel voor het raam. Ze kijkt mij met haar troebele ogen liefdevol aan en sluit berustend en voorgoed haar ogen. Mijn allerlaatste blad dwarrelt op haar schoot.

schommelstoel