Terwijl ik dit schrijf, zit ik op Schiphol te wachten op mijn vlucht. Over twintig minuten stap ik in ’t vliegtuig naar huis. Zo voelt onze boot namelijk. In de Hollandse flat ben ik aan het kamperen. Daar staan de spullen die we niet meegenomen hebben naar Spanje. Plus twee borden, twee besteksets en een Nespresso apparaat.

Mijn koffertje en ik zijn met de bus richting luchthaven gegaan. Ik had een fijne ruime plek voorin gevonden. Omdat ik voorlopig geen plannen heb om weer op Nederlandse bodem te landen, nam ik het vlakke landschap in me op. Wat een verschil met alle sinaasappelbomen, palmen en bergen aan de Costa del Azahar!

De buschauffeur was een praatgrage gezelligerd. Hij babbelde honderduit met een ‘vaste klant’, die praktisch naast ‘m zat. Twee haltes verderop stapte de man onder luide groet uit om plaats te maken voor de volgende praatmaat. Een slungelige knul stapte in. Ik ving flarden van het gesprek op. Eerst werden ruimschoots vakantie ervaringen uitgewisseld. ‘Poeh… dertig graden in Italië. Ja, samen met m’n vriendin’, vertelde de slungel.

Even later hoorde ik de gezelligerd opscheppen over z’n kleinkind. ‘Ja, ze wordt in juli alweer drie jaar.’ Huh… Het is nu half augustus! Sommige mensen hebben er een handje van om kinders groot te duwen. Hij is al… Zij kan al… Hij wordt al… Pure trots natuurlijk!

Ik was dertig jaar geleden zo’n beetje de meest trotse moeder van Alphen en omstreken. En toch hees ik mijn zoon zo lang mogelijk in dat schattige kruippakje. En gebruikte ik rijkelijk Zwitsal haarlotion om telkens aan de liefste baby ter wereld te kunnen snuffelen. En over drie maanden kan ie zelf zijn neus in z’n dochtertjes nekje steken…