Twee dagen Bangkok. Natuurlijk ga ik naar het Atlanta Hotel. In 1952 werd het in the middle of nowhere gebouwd, nu ligt het achter in een doodlopend straatje aan de Sukhumvit. Naast Nana en deze wijk staat niet zo best bekend; schreeuwerig druk vol met barretjes waar ik voor geen goud een biertje pak. Farang (buitenlanders) van laag allooi en schaars geklede meiden die om hen heen dwarrelen.

Toch is het Atlanta Hotel met z’n karakteristieke uitstraling een oase van rust. Het interieur is sinds de jaren vijftig niks veranderd, het zwembad mist hier en daar een tegeltje. In de reglementen staat dan ook ‘complaints not permitted – not at the prices we charge’.

In het lange, smalle restaurant kun je fantastisch eten. Of gewoon even je mail checken terwijl je een papayashake drinkt. Deze staat op een papieren coaster met hilarische uitspraken van Dr Henn, de oprichter van ’t Atlanta.

Opvallend is dat ik de afgelopen tien jaar geen verloop in personeel heb gezien. Bij elke aankomst word ik vriendelijk begroet door dezelfde gezichten. En geknuffeld door Anong, het boegbeeld van het hotel. Ze is begin 70 en werkt al ruim 35 jaar in het restaurant. Zelfs in de menukaart staat gekscherend dat je alleen als niet-hotelgast welkom bent als Anong het vertrouwt.

Deze keer schrok ik een beetje van haar. Geen grapjes en weinig enthousiasme. Ze is doodmoe. Als ze een bestelling opneemt, gaat ze even op een stoel aan tafel zitten. Gisteren spotte ik haar achter in het restaurant, slapend met het hoofd op tafel.

Ik hoop van harte dat ik haar tijdens mijn volgende reis weer mag knuffelen in het hotel, waar op de gevel staat:

this is the place you are looking for

if you know it

if you don’t

you will never find it

25 juni 2015