Best dapper vind ik zelf, die beslissing om alleen op vakantie te gaan. Zes weken Thailand. De eerste week van deze reis was niet echt superstoer. Ik logeerde bij mijn zoon Frank en werd zelfs van de luchthaven opgehaald. Heerlijk, geen gesoebat met taxichauffeurs als je er twaalf vlieguren op hebt zitten.

Maar vandaag begon het dappere deel. Vanmorgen vertrok ik voor twee weken naar Koh Chang. Ik ben namelijk totally in love met Lonely Beach. In deze paar stoffige straten genieten backpackers en hippies van de relaxte sfeer, good food en nog betere muziek. En dat allemaal voor héél zachte prijsjes.

Mijn favoriete stek is Stonefree, waar Nuansri en haar man de boel op blote voeten draaiend houden. Op de muur staat in grafitti ‘Sticky rice blues’, wat direct het genre muziek aangeeft. Slippers uit, om aan op verhogingen geplaatste tafeltjes te gaan zitten, met je rug tegen felgekleurde kussens. Of je pakt gewoon een hangmat. Als iemand je om een vuurtje vraagt, schuift ie aan en je bent zómaar een uur of anderhalf in een geanimeerd gesprek verwikkeld. Toen Nuansri me vorig jaar zag, riep ze na een hug enthousiast: “Tomorrow we have family dinner and you are same same! See you at seven.”

Omdat ik niet in dit hippie-epicentrum wil slapen, heb ik een Hill Side Bungalow geboekt bij Siam Beach Resort. Ik ben gek op blues, maar niet ten koste van mijn nachtrust. Dit luxe resort heeft prachtige bungalows, zelfs met eigen zwembad. Maar ik kies voor de hill side. Packpack style met het genoegen van een uitgebreid ontbijtbuffet.

Nu zit ik op mijn terras, maar nog niet helemaal relaxed. Na het avondeten op ’t strand, liep ik namelijk naar boven en gooide nietsvermoedend mijn tas op bed. Pfff… warm! Airco even aanzetten is mijn eerste, logische gedachte. Maar als naast het bedieningspaneel een hagedisachtig beest mij aanstaart, blijft mijn hand halverwege steken. Het reptiel is zo’n twintig centimeter lang! Het is ongetwijfeld een onschuldige gekko, aan z’n bolle koppie te zien. Maar ik pak ‘m niet. Ik voel me niet echt heldhaftig als ik achteruitlopend mijn hutje verlaat en met grote passen naar de receptie loop.

Drie vriendelijke meisjes kijken me verwachtingsvol aan. Beschroomd meld ik dat ik heus niet bang ben voor tjitjaks en consorten, maar dat deze vriend naast de airco me nét even te groot is. De schatjes zijn het met me eens en gedrieën roepen ze naar een jongen, die buiten loom een sigaretje rookt. Gewapend met handdoek en stok loopt hij met me mee. Godzijdank zit de engerd nog op dezelfde plek en laat zich in de handdoek vangen.

Het ‘gevaar’ is geweken, maar ik ben nog op mijn hoede. Omhoogkijkend zie ik een tiental tjitjaks, loerend naar onoplettende insecten. Er landt een mot in mijn nek. Brrr…

Het lijkt er trouwens op dat ik de enige Hill Side bewoner ben. Misschien vinden al die reptielen en insecten het gewoon gezellig bij me…

2 juni 2014